aaa
rss
Printvriendelijke versie

Getegedicht

Bookmark and Share

Getegedicht
Ze neemt haar intrek in elke kamer van de twee straten, met gevelstenen parallel.
Al jaren en generaties op rij – recht
voor de raap en zonder morren, werpt ze toch
telkens een andere aanblik naar binnen.
Ik hoor haar gemier en zowaar zijige gekerm.
Het deint er ook en knispert er soms,
‘s winters als een knappende haard,
een bruisende kolk in de nacht
kwetterend van jewelste, is zij
een onuitputtelijke bron – van de vergetelheid,
en van eenden, bronstig als boerenpaarden.
Je zag er ooit vlotten varen, een enkele keer
zelfs een verloren gewaande canoë.
En van de zomer is ze loom gebleken, droog
als steppegras
en eerlijk als dwalend zwerfafval.
Altijd al echter
heeft ze bruggen
geslagen, en eens was ze
plaats delict en bedwelmend decor. Ver weg:
de meerminnen van toen, de kokette Mariëtten van nu
die met Fifi of Frolic flaneren langs de getelijke lantaarns.

Nicky Vanwinkel